Onderzoeken

Wanneer een patiënt bij de oogarts komt, dan zal deze naast het nemen van het zicht en meten van de oogdruk ook de oogzenuw bekijken. Hij zal ook de diepte van de voorste oogkamer beoordelen. Dit zijn eenvoudige technieken die tot het standaard oogheelkundig onderzoek gerekend worden.

Een oogdrukmeting alleen is onvoldoende omdat er veel gevallen van glaucoom zijn met schommelende oogdrukken en vaak op het moment van de meting geen verhoogde druk gevonden wordt. Daarom is het belangrijk dat de oogarts ook de papil beoordeelt en bij vermoeden of twijfel zeker een gezichtsveldonderzoek wordt uitgevoerd. Het gezichtsveldonderzoek is hoewel pijnloos, tijdrovend en arbeidsintensief en vooral een onderzoek welke de meeste patiënten niet graag uitvoeren maar zeer belangrijke informatie geeft.

Bepaling van de gezichtsscherpte (zie gezichtsscherpte)

Het meten van de gezichtsscherpte , ook visus genoemd, maakt deel uit van elk oogonderzoek. Zoals reeds uitgelegd blijft dit bij glaucoom tot het laatste gespaard.

Meting van de oogdruk (zie oogdrukmeting)

1. De applanatiemethode 

De belangrijkste en meest betrouwbare methode.

Na het geven van een verdovingsdruppel en het aanbrengen van een fluoreïcerende stof wordt de applanatietonometer tegen het oog geplaatst. Met behulp van blauw licht kan de oogarts de mate van vervorming van het oog beoordelen.Naarmate de oogdruk hoger is moet meer kracht uitgeoefend worden door dit apparaatje om het oog enigszins van vorm te doen veranderen. De mate van uit te oefenen kracht is dus een maat voor de oogdruk. Het onderzoek is pijnloos en kortdurend. Vanwege de gebruikte reflecterende stof kunnen de ogen enige tijd een gele kleur vertonen. Voor oogartsen is deze applanatietonometrie een routinehandeling.

2. De non-contact-tonometrie.

Dit is een methode waarbij met een pneumotonometer een luchtstraaltje tegen het oog geblazen wordt. Hiermee wordt automatisch de vervorming gemeten en daarmee de oogdruk bepaald. Voor deze methode is geen verdoving noodzakelijk en het oog wordt niet aangeraakt. Daarom mag deze methode ook door niet-artsen (bijvoorbeeld opticiens) gebruikt worden. Een nadeel van deze methode is dat ze minder betrouwbaar is dan de applanatietonometer en de oogdruk vaak ten onrechte aan de hoge kant wordt gemeten.

Vele oogartsen gebruiken ook vaak een pneumotonmeter. Als de oogdruk met deze meting laag is en de oogzenuw een normaal uitzicht heeft, dan kunnen ze wel zeggen dat U geen glaucoom heeft, zelfs zonder een controlemeting met de applanatietonometer.

3. De Dagcurve

De oogdruk is niet de hele dag dezelfde, maar kan van uur tot uur verschillen. Bij glaucoom kunnen deze schommelingen abnormaal sterk zijn. Om een beeld te krijgen van de dagschommelingen van de oogdruk wordt een zogenaamde dagcurve of tonometriedagcurve gemaakt. Hierbij wordt de oogdruk op verschillende tijden van de dag en soms zelfs ‘s nachts gemeten.

Gonioscopie

Gonioscopie is noodzakelijk om het type glaucoom, waaraan u lijdt, te bepalen.

Ruwweg kan glaucoom worden onderverdeeld in 2 grote groepen: open-hoek of chronisch glaucoom en gesloten-hoek of acuut glaucoom (zie lager). Na indruppeling van een verdovend oogdruppeltje brengt de arts een contactglas tegen het oog en bekijkt via een spiegeltje de kamerhoek. Hij beoordeelt of deze al dan niet open is, alsook de graad van pigmentatie en mogelijke kamerhoekafwijkingen.

Onderzoek van de oogzenuw.

In het beginstadium van de ziekte, wanneer de eerste zenuwvezels afsterven is er nog geen schade aan het gezichtsveld. De oogzenuw heeft nl 40% reserve. Bij het verlies van zenuwvezels ontstaat er een zogenaamde excavatie: een uitholling van de oogzenuw op de plek waar zenuwvezels zijn verdwenen.

De oogarts kan zien in welke mate de oogzenuw een uitholling vertoont. Toenemende uitholling bij opeenvolgende bezoeken, is een teken van glaucoom. Soms moet de oogarts met een oogdruppeltje de pupil groter maken om goed naar de oogzenuw te kunnen kijken. Dat doet geen pijn, maar geeft wel gedurende een 2-tal uren een wazig zicht. In dat geval mag je niet zelf met de wagen naar huis rijden.

 

Het volgen van de papilexcavatie is een van de methoden om te beoordelen of de glaucoom evolueert. Hierdoor kunnen we de veranderingen  aan de papil of zenuwvezellaag vaststellen nog voordat er gezichtsvelduitval is opgetreden.

 

Het vastleggen van de veranderingen noemt men een papilbiometrie en  kan op verschillende manieren gebeuren. De mate van excavatie kan subjectief uitgedrukt worden in een getal of door een tekening. Daarnaast zijn er meer objectieve methoden om de papil of de zenuwvezellaag te documenteren. Zo kan men foto’s van de papil nemen en dmv speciale ‘roodvrije’ foto’s de zenuwvezellaag te beoordelen.

Optical coherence tomography (zie OCT)

Met dit ultramoderne toestel bekijken we eenvoudig dmv het maken van een foto de toestand van de papil en het netvlies. Het resultaat wordt onmiddellijk in het dossier van de patiënt verwerkt.

Dit is een grote stap vooruit om optimaal te kunnen behandelen en schade te beperken omdat deze metingen sneller dan het gezichtsveldonderzoek aantastingen aangeeft.

Het gezichtsveldonderzoek

Het gezichtsveldonderzoek is van groot belang voor het ontdekken en opvolgen van glaucoom. Met de computergestuurde perimeters kan men heel vroegtijdig en lang voor je die zelf opmerkt,  blinde zones in het gezichtsveld opsporen. Het is de belangrijkste functionele uiting van schade aan de zenuwvezellaag. Omdat stabilisering van het ziektebeeld het doel van de behandeling is, zal bij een glaucoompatiënt regelmatig een gezichtsveldonderzoek gedaan worden.

Hoe gebeurt het automatische gezichtsveldonderzoek :

De perimeter bestaat uit een koepel waarin overal, één na één, lichtjes geprojecteerd worden. Je moet steeds naar een oranje lichtje in het centrum van de koepel kijken. Telkens als je een zijlichtje ziet moet je op een knopje drukken.

Dit onderzoek is pijnloos en er hoeft niet gedruppeld te worden .  Het neemt wel een vijftal minuten per oog in beslag en vraagt medewerking van de patiënt . De gegevens worden dadelijk door de computer verwerkt, en afgedrukt en de opeenvolgende gezichtsvelden worden statistisch verwerkt. Zo kan de arts de evolutie van het gezichtsveld nauwkeurig volgen.

Het nadeel van dit onderzoek is dat er al 30 tot 40% van de zenuwvezels aangetast zijn voor we beginnende gezichtsveld schade met dit onderzoek opsporen. Deze reserve kunnen we wel beoordelen door grondig het uitzicht van de oogzenuw te bestuderen en dmv de ultramoderne OCT.

Afhankelijk van de ernst van de toestand, worden de onderzoeken 1 tot 4 maal per jaar herhaald. Zo kan een behandeling tijdig worden ingesteld of aangepast

Liesenborghs gebruikt cookies om uw surfervaring op deze website gemakkelijker te maken. Meer weten X
  • Dr. LF. Liesenborghs
  • Sint-Jansstraat 4
  • Residentie Park Leopold
  • 3800 Sint-Truiden
  • T. 011 69 42 70
  • F. 011 69 42 60
  • Stuur mij een e-mail
  •  
  • site by webdesign yappa